Recht op onderwijs

Malala

De stichting Robin Hood College streeft het algemene, universele en fundamentele recht op onderwijs in Nederland na, asielzoeker, nieuwkomer of wie dan ook (dus: voor een ieder die zich in Nederland bevindt en/of feitelijk of fysiek aanwezig is).

Onze stichting is ondermeer gegrond op artikel 26 van de Universele verklaring van de Rechten van de Mens. Dit artikel luidt:

Lid 1. Een ieder heeft recht op onderwijs; het onderwijs zal kosteloos zijn,althans wat het lager en basisonderwijs betreft. Het lager onderwijs zal verplicht zijn. Ambachtsonderwijs en beroepsopleiding zullen algemeen beschikbaar worden gesteld. Hoger onderwijs zal openstaan voor een ieder, die daartoe de begaafdheid bezit.

Lid 2. Het onderwijs zal gericht zijn op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het zal het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties, rassen of godsdienstige groepen bevorderen en het zal de werkzaamheden van de
Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede steunen.

Lid 3. Aan de ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen, welke aan hun kinderen zal worden gegeven.

Daarnaast zijn ondermeer de onderstaande regelgeving, internationale verdragen of verklaringen van internationale instanties of de EU (door Nederland ondertekend of onderschreven), van toepassing.

Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet:

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.
Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 10 (lid 1 en 2) Vreemdelingenwet 2000:

1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bij de wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.


2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid, of de rechtsbijstand aan de vreemdeling.


Artikel 2 van het eerste protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden:

Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen.

Artikel 12 van de Europese Opvangrichtlijn (Richtlijn 2003/09/EG (PbEU 2003, L 31/18):

Ongeacht of de asielzoeker toegang tot de arbeidsmarkt heeft, kunnen de lidstaten hem toegang verlenen tot een beroepsopleiding.

Artikel 13 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (ICESCR), door Nederland ondertekend op 25 juni 1969:

2. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen dat, ten einde tot een volledige verwezenlijking van dit recht te komen:
a. Het primaire onderwijs voor allen verplicht en kosteloos beschikbaar dient te zijn;
b. Het secundair onderwijs in zijn verschillende vormen, waarbij inbegrepen het secundaire technische onderwijs en het beroepsonderwijs, door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs algemeen beschikbaar en voor allen toegankelijk dient te worden gemaakt;
c. Het hoger onderwijs door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs voor een ieder op basis van bekwaamheid gelijkelijk toegankelijk dient te worden gemaakt;
d. Het fundamenteel onderricht zoveel mogelijk dient te worden gestimuleerd of geïntensiveerd ten behoeve van personen die geen lager onderwijs hebben genoten of dit niet hebben voltooid;
e. De ontwikkeling van een stelsel van scholen van alle niveaus met kracht dient te worden nagestreefd, een passend stelsel van studiebeurzen in het leven dient te worden geroepen en materiële omstandigheden van het onderwijzend personeel voortdurend dient te worden verbeterd.

Verdrag inzake de bestrijding van discriminatie in het onderwijs, Parijs, 14-12-1960.

De Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Opvoeding, Wetenschap en Cultuur, van 14 november tot 15 december 1960 tijdens haar elfde zitting bijeen te Parijs, in herinnering brengend dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens het beginsel van non-discriminatie bevestigt en verklaart dat een ieder recht heeft op onderwijs, overwegende dat discriminatie in het onderwijs een schending van de in die Verklaring vervatte rechten betekent, overwegende dat krachtens de bepalingen van haar Statuut de Organisatie van de Verenigde Naties voor Opvoeding, Wetenschap en Cultuur zich ten doel stelt de volken te doen samenwerken teneinde voor een ieder te komen tot een algemene eerbiediging van de rechten van de mens en gelijke kansen ten aanzien van het onderwijs, erkennende dat de Organisatie van de Verenigde Naties voor Opvoeding, Wetenschap en Cultuur, onder eerbiediging van de verscheidenheid der nationale onderwijssystemen, derhalve de plicht heeft niet alleen om iedere vorm van discriminatie in het onderwijs te bestrijden, doch ook om te bevorderen dat ten aanzien van het onderwijs een ieder gelijke kansen en een gelijke behandeling krijgt,
Artikel 1
1. In dit Verdrag omvat de uitdrukking „discriminatie” ieder onderscheid dat, en iedere uitsluiting, beperking of voorkeur die, op grond van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, economische omstandigheden of geboorte, ten doel of ten gevolge hebben dat de gelijkheid van behandeling ten aanzien van het onderwijs teniet wordt gedaan of wordt aangetast, en in het bijzonder ten doel of ten gevolge hebben dat:
a. personen of groepen personen de toegang tot het onderwijs, van welke soort of welk niveau ook, wordt ontzegd;
b. personen of groepen personen met onderwijs van lager gehalte genoegen moeten nemen;
c. met inachtneming van de bepalingen van artikel 2 van dit Verdrag, voor personen of groepen personen afzonderlijke onderwijssystemen of -instellingen worden opgericht of in stand gehouden; of dat
d. personen of groepen personen voorwaarden worden opgelegd die onverenigbaar zijn met de menselijke waardigheid.
2. In dit Verdrag heeft de uitdrukking „onderwijs” betrekking op alle onderwijssoorten en -niveaus en omvat mede toegang tot het onderwijs, het peil en het gehalte van het onderwijs en de omstandigheden waaronder het wordt gegeven.
Artikel 3
Teneinde discriminatie in de zin van dit Verdrag op te heffen of te voorkomen nemen de staten die partij zijn bij dit Verdrag de verplichting op zich:
a. Alle wettelijke bepalingen en administratieve voorschriften in te trekken en een einde te maken aan die administratieve praktijken die discriminatie in het onderwijs met zich brengen;
b. Ervoor te zorgen, zonodig door wettelijke voorschriften, dat er geen discriminatie bestaat bij de toelating van leerlingen tot onderwijsinstellingen;
c. Niet toe te staan dat de overheid onderdanen, behalve op grond van verdienste of ontoereikende financiële middelen, verschillend behandelt ten aanzien van schoolgeld en het verlenen van studiebeurzen of andere vormen van hulp aan leerlingen en de noodzakelijke toestemming en faciliteiten voor het volgen van studies in andere landen;
d. Ten aanzien van de steun die de autoriteiten eventueel aan onderwijsinstellingen verlenen geen beperkingen of voorkeur toe te staan, uitsluitend gebaseerd op het feit dat de leerlingen tot een bepaalde groep behoren;
e. Buitenlandse onderdanen die op hun grondgebied wonen op dezelfde wijze toegang te verlenen tot het onderwijs als hun eigen onderdanen.

 

World Declaration on Education for All (UNESCO 1990):

In deze verklaring van de UNESCO van 1990, verklaarden de deelnemers het recht van alle mensen op onderwijs te bevestigen en voor iedereen te verzekeren. Daarnaast werd ondermeer (als basis van de verklaring) verklaard dat educatie een fundamenteel recht is voor alle mensen, vrouwen en mannen, van alle leeftijden en overal ter wereld.

Artikel 1 lid een van deze verklaring luidt als volgt:
Iedereen –kind, jongere en volwassene- moet in staat gesteld worden te kunnen profiteren van scholingsmogelijkheden die voldoen aan hun voornaamste leerbehoeften. Deze behoeften omvatten zowel belangrijke leergereedschappen (zoals lezen, mondelinge uitdrukking, rekenen en problemen oplossen) als ook het voornaamste leergehalte (zoals kennis, vaardigheden, waardering en zienswijzen).Deze vaardigheden worden verlangd door mensen om te kunnen overleven, om hun mogelijkheden volledig te kunnen ontplooien, om waardig te kunnen leven en werken, om de kwaliteit van hun leven te kunnen verbeteren, om afgewogen beslissingen te kunnen nemen en om verder te kunnen leren. De omvang van de fundamentele leerbehoeften en hoe deze moeten worden aangepakt, verschilt van land tot land en van cultuur tot cultuur, en verandert onvermijdelijk met het verstrijken van de tijd.

Artikel 1 lid twee luidt ondermeer:
Basisonderwijs is geen eindstation. Het is de basis voor een levenslang leerproces en menselijke ontwikkeling waarop landen systematisch kunnen voortbouwen naar hogere niveaus en onderwijstypes en opleidingen.

Artikel 3 luidt ondermeer:
Fundamenteel onderwijs dient toegankelijk te zijn voor alle kinderen, jongeren en volwassenen en een ieder dient de gelegenheid te krijgen om een aanvaardbaar niveau van onderwijs te krijgen en te behouden. Er moet een verplichting komen om ongelijkheden in het onderwijs weg te nemen. Minderbedeelde groepen, zoals armen, vluchtelingen en zij die gevlucht zijn voor oorlogen, mogen geen last hebben van welke vorm van discriminatie dan ook in hun toegang tot onderwijsmogelijkheden.

Artikel 5 luidt ondermeer:
Alle beschikbare instrumenten (zoals stages) en kanalen van informatie, communicatie en sociale activiteiten kunnen gebruikt worden om essentiële kennis en informatie door te kunnen geven en mensen te kunnen onderwijzen over maatschappelijke kwesties.

Artikel 6 luidt ondermeer:
De gemeenschap moet zorgen dat alle leerlingen voedsel, gezondheidszorg en in het algemeen ook de fysieke en emotionele ondersteuning ontvangen welke zij nodig hebben om te kunnen profiteren van hun scholing.

Artikel 9 luidt ondermeer:
De gehele samenleving zal een bijdrage moeten leveren en ook moeten erkennen dat tijd, energie en financiële ondersteuning besteed aan fundamenteel onderwijs, waarschijnlijk de meest grondige investering is in mensen en in de toekomst.

Artikel 10 luidt ondermeer:
Voldoen aan de fundamentele leerbehoeften vereist een algemene en universele verantwoordelijkheid. Het vereist internationale solidariteit en billijke en eerlijke economische relaties om er voor te zorgen dat bestaande economische ongelijkheden kunnen worden verholpen of hersteld.

Algemeen:
Jonge of iets minder jonge volwassenen willen graag doorleren. Het biedt hen een zinvolle dagbesteding, contact met leeftijdgenoten en het leidt af van de emotionele, sociale en praktische problemen waar ze mee worstelen. Maar wat onderwijs vooral doet: het biedt hoop en geloof in een betere en zinvolle toekomst, hier in Nederland of in het land van herkomst. Daarnaast biedt het mogelijkheden om met de opgedane kennis beter te voorzien in een leefbaar inkomen, in Nederland of in het land van herkomst.

Logo-Robin-Hood-aangepast-01-klein4.jpg